Geavanceerd

In het tabblad Geavanceerd kunt u meldingen van DSM en Surveillance Station integreren , meldingen gedurende een bepaalde periode dempen, meldingen van hetzelfde gebeurtenistype binnen een bepaalde periode combineren en meldingsvariabelen bewerken.

DSM-melding

DSM-meldingen en synchronisatie van e-mail/sms/pushservice-instellingen met DSM weergeven:

  1. Schakel het selectievakje in om de functie in te schakelen.
  2. Klik op Opslaan om de wijzigingen toe te passen.

Opmerking:

Meldingen dempen

Meldingen voor een korte periode uitschakelen:

  1. In het gedeelte Meldingen dempen selecteer een duur in het vervolgkeuzemenu Dempen voor om meldingen te dempen.
  2. Klik op de knop Inschakelen. Een countdowntimer wordt hieronder weergegeven en gedurende deze periode worden geen Surveillance Station-meldingen verzonden.

Verzending van meldingen hervatten:

  1. Klik op de knop Inschakelen om de verzending van meldingen te hervatten.

Opmerking:

Gebeurtenissnapshot

U kunt onder Gebeurtenissnapshot kiezen om bij de detectie van een gebeurtenis een enkele snapshot of meerdere snapshots binnen een gespecificeerd interval toe te voegen aan e-mailberichten.

Een enkele snapshot toevoegen

  1. Selecteer de optie Alleen een snapshot nemen bij de detectie van een gebeurtenis.

Meerdere snapshots binnen een gespecificeerd interval toevoegen

  1. Selecteer de optie Neem snapshots bij de detectie van gebeurtenissen en ga door met het nemen van snapshots gedurende het gespecificeerde interval nadat de gebeurtenissen plaatsvinden.
  2. Specificeer de duur van het interval (in seconden) na het optreden van een gebeurtenis.

Opmerking:

Instelling meldingscombinatie

Om een overbodig aantal meldingen van dezelfde gebeurtenistypes binnen een bepaald tijdsinterval te ontvangen:

  1. Schakel het selectievakje in om de functie in te schakelen.
  2. Klik op Opslaan om de wijzigingen toe te passen.

Opmerking:

Meldingsvariabelen

De variabelen van het meldingsbericht bewerken:

  1. voer een tekenreeks in het veld rechts van elke variabele in. De variabelen zullen vervangen worden door opgegeven tekenreeksen in verzonden meldingsberichten.
  2. Klik op Opslaan om de wijzigingen toe te passen.